Deze website maakt gebruik van functionele cookies. Klik hier voor meer informatie.
Akkoord
  1. Holocaust herdenking

    Donderdag 27 januari 2022
    • *

     

    Veldwerker Chana is op woensdagochtend bij de koffieochtend van Elah in Jeruzalem. Elah is opgericht voor het verlenen van hulp aan Holocaust-overlevenden, hun partners en hun nakomelingen. Een trouwe bezoeker van de koffieochtenden was Menachem Zangen. Menachem beschreef zijn verhaal over de oorlog als een Tour de France. Op 27 en 30 januari wordt in de wereld en in Nederland de Holocaust herdacht. Voor deze gelegenheid mogen we het verhaal van Menachem, opgetekend door de maatschappelijk werkster van Elah, met u delen. 

     

     

    MENDEL (MENACHEM) ZANGEN (Mendel Saul Elias)

     

    Onderduiknaam: Pierre Champomé

    Geboren: 3 januari 1928 in Scheveningen
    Ouders: Samuel Schachna Zangen en Chawa Hadassa Landau
    Aliya: 3 augustus 1955 vanuit Nederland
    Huidige familie: Menachem is enig kind. Hij heeft drie zoons en een dochter, negentien kleinkinderen en veel achterkleinkinderen
    Menachem is op 23 januari 2022 overleden, een paar weken na zijn 94e verjaardag.

     

    Verhalen van thuis
    Mijn beide ouders zijn in Polen geboren en kwamen in de mid-jaren 20 naar Nederland. Na hun huwelijk in 1925 werden ze op 21 mei 1926 genaturaliseerd tot Nederlands Staatsburger en toen ik op 3 januari 1928 werd geboren kreeg ik ook de Nederlandse Nationaliteit. Mijn wieg stond in Scheveningen, maar omdat mijn vader beter aan de slag kon in Antwerpen in de diamanthandel ben ik daar eigenlijk opgegroeid. 's Zomers bezochten we de familie in Scheveningen, en ik heb veel goede herinneringen aan fiets, strand, neefjes en nichtjes. Mijn moeder had een talenknobbel en was lerares Ivrit op de joodse school. Toen ik vijf was sprak ik al Ivrit met haar, al het joodse onderwijs was in het Ivrit. Mijn moeder sprak ook zuiver Frans en al die talen hebben mij later in m’n leven heel goed geholpen om mezelf in allerlei situaties te kunnen redden.


    Mijn verhaal 1940 – 1945
    Mijn verhaal lijkt op een Tour de France. Na de lagere school in Antwerpen heb ik nog twee jaar lyceum gevolgd. Vanaf het najaar in 1940 werd het de Joden in België verplicht zich in te schrijven in het zogenaamde Jodenregister, hetgeen in feite het begin was van de Jodenvervolging in België. In augustus 1942 kwam de oproep om ons in Mechelen te komen melden. Mijn ouders namen een smokkelaar in de arm en we zijn met een groep van 18/19 man naar de Frans-Zwitserse grens gesmokkeld. Vlakbij de grens bleek het doorgestoken kaart en werd de hele groep overgedragen aan de Duitsers. De smokkelaars vroegen grof geld van de joden en kregen bovendien ook van de Duitsers. De kinderen werden van de ouders gescheiden. Mijn ouders zijn via Drancy naar Auschwitz gestuurd en dezelfde dag van aankomst daar vermoord - Jom Kipoer 1942.

     

    Ik werd gevangengenomen en wist niet wat er met mij zou gaan gebeuren. Na een week in de gevangenis riep de Duitse commandant alle kinderen in een zaal en verklaarde: “Gegen Kinder führ ich kein Krieg”. Hij droeg ons over aan het Franse Rode Kruis. Onze groep bestond uit zo’n 30 kinderen tussen de 4-15 jaar; ikzelf was de een na oudste. We werden ondergebracht in een ziekenhuis in Besancon. Omdat het bijna Rosj HaSjana was vroeg ik om een machzor en de abbé zei tegen me: “Je hebt een mooie godsdienst, zorg dat je hem behoudt” en gaf twee machzorim. Het Rode Kruis wist met ons ook geen raad en stuurden ons door naar Parijs onder auspiciën van de joodse gemeente daar. Al naar gelang de leeftijd werden we ondergebracht in tehuizen. Ik kwam in een Ecole de Travail en leerde er vijf maanden op het gebied van electriciteit. Op een dag kwam de Franse politie en nam vijf Oost-Europese kinderen van de groep mee. Zij zijn allemaal omgekomen. Ik had de Nederlandse nationaliteit. Het was ons toen als tieners duidelijk dat we daar snel vandaan moesten en we gingen naar het hoofdkantoor van de joodse gemeente. Daar nam een vrouwelijke arts mij mee die in de veronderstelling was dat ik haar broer was. Voor de andere twee jongens werd een schuilplaats gevonden. Ik kwam zogenaamd als patiënt terecht bij een collega van haar in zuidoost Frankrijk, bleef daar drie maanden en las Franse literatuur. Ook daar moest ik weg, want de burgemeester was pro- Duits en liet huiszoekingen doen.

     

    Vervolgens reisde ik naar Gare de Lyon en kreeg daar via de OSE valse papieren. Na heel veel heen- en weer gereis was ik op weg naar Chateau du Manoir, onder de directie van een neef van rebbe Schneerson. Ik werd tegengehouden door Franse politie die ik vertelde dat ik mijn oom ging helpen op de boerderij omdat alle knechten in Duitsland werkten. Bij het station werd ik van de trein gehaald door een taxi en toen we op weg waren werd ik opnieuw tegengehouden door dezelfde politieagenten. Toen zeiden ze: “We hebben jou niet gezien en jullie ons niet”. Vanuit het chateau werden één á twee keer per week kinderen over de Zwitserse grens gesmokkeld. Er kwam bericht dat er overdracht van de macht op handen was van de Italianen aan de Duitsers en die nacht zou de grens onbewaakt zijn. Het is dan 8 september 1943 en drie groepen kinderen proberen de oversteek. De kleintjes worden van hand tot hand over het prikkeldraad getild, terwijl wij als groten op de draden staan. Het lukte, de grens werd vanaf de volgende dag intensief door de Duitsers bewaakt.

     

    In Zwitserland heb ik drie jaar op het Prinses Beatrix lyceum in Montreux gezeten en in totaal maar één schooljaar verloren. Dat kwam mede door mijn lerares Engels die me in de kerstvakantie heeft bijgespijkerd. Iedereen ging naar familie toe, maar ik bleef daar, ik had geen familie om naar toe te gaan. Die Nederlandse naam van de school kwam omdat er veel leerlingen op zaten wiens ouders in Nederlands-Indië werkten. Na de oorlog kwamen er ook Nederlandse kinderen vanuit de hongerwinter. De lessen waren in het Frans en Duits. Een Nederlandse familie in Zwitserland heeft financieel voor mij borg gestaan.


    Na de oorlog
    Na de oorlog heb ik in Brussel een studiebeurs gekregen voor oorlogswezen, wat in Nederland moeilijk was, en heb 4 ½ jaar scheikunde gestudeerd. Daarna ben ik in Delft voor chemisch ingenieur gaan leren en heb me aangesloten bij de studentenvereniging NZSO.
    Daar heb ik Mirjam Straikowski leren kennen die voor arts studeerde. Na twee jaar verloving zijn we getrouwd in de sjoel in de Wagenstraat in Den Haag, twee weken na haar examen. En weer twee weken daarna zijn we op aliya gegaan met de boot Kadima vanuit Napels. Mirjam is de oudere zus van Esther Yellon.

     

    In Israël
    Ik heb gewerkt in Nachal Sorek, een dependance van het Weizmann Instituut. Het was een failliete kibboets, waar de gebouwen met waterleiding laboratoria werden. Mijn PhD heb ik gehaald bij professor Bergman en ik heb zelf als professor een paar jaar lesgegeven aan de Bar Ilan universiteit. Mirjam heeft in Israël nog een jaar stage gelopen bij dr. Jacob, waar ze elke drie dagen nachtdienst had. Ze heeft gewerkt in het Tel Shomer ziekenhuis en is daarna hoofd van de kliniek huisartsen geworden. We kregen vier kinderen.

     

    Menachem met twee van zijn vier kinderen, verjaardag op een woensdagmorgen in januari 2019 

     

    Hobbies
    Ik houd van bridge en schaken. Als studenten hebben we eens simultaan gespeeld met Max Euwe. We zaten met ongeveer 40 studenten in een kring en hij liep langs elk bord. Ik bedacht me, dat als ik enige kans wilde maken ik niet de gebruikelijke openingen moest proberen en ik deed iets ongebruikelijks. Twee keer maakte Max Euwe een fout en legde op een gegeven moment de koning op z’n kant op het bord. Op dat moment had ik dus als enige in de zaal een wereldkampioen schaken verslagen! Mijn prijs was een schaakbord, dat ik nu nog steeds heb. Een andere fijne bezigheid is Tenach studie. Ik heb op mijn 90e nog meegedaan met de landelijke Tenach quiz voor ouderen over de 60 jaar.

     

    Levensvisie
    Ik heb gezien tot welke hoogte mensen kunnen stijgen, maar ook hoe diep een mens kan vallen. De wereld zoals ik die kende was dood. In Antwerpen kwam ik een oud klasgenoot tegen en we zijn samen de klassenlijst nagelopen van de laatste joodse klas. Van de 42 leerlingen bleken er maar negen overlevenden te zijn en later hoorden we van nog drie meer. Ik was 18 jaar en mijn ouders en een groot deel van de familie was vermoord. Ik moest weer gaan opbouwen, maar op welke basis? Is het leven nog de moeite waard? Maar niet doorgaan betekent overgave aan de Duitsers, doorzetten is de enige wraak. Ik ben doorgegaan en we hebben in 60 jaar huwelijk vier kinderen en 19 kleinkinderen gekregen. Onze oudste zoon is naar mijn vader vernoemd (Samuel) en onze dochter heet Hadassa, naar mijn moeder. We hebben 60 jaar in Ramat Gan gewoond. Er zijn mensen van mijn generatie die niet willen onthouden en er zijn mensen die het overleefd hebben om te kunnen onthouden. Als mensen mij vragen te vertellen doe ik dat.


    Naar Bet Bart
    Mijn vrouw Mirjam is Rosj HaSjana 2015 overleden. Al voor haar overlijden hebben we het plan opgevat om naar Beit Bart te gaan verhuizen en daar woon ik nu. Het bevalt mij goed en elke woensdagmorgen ben ik te vinden bij de ELAH groep. Ik spreek veel talen, maar het woord “gezellig” bestaat alleen maar in het Nederlands. En die gezelligheid ervaar ik elke woensdagochtend.

     

    Rosj Hasjana, 1 september 2021

     

  1. Activiteiten